Razzia
Het is 1944 geweest.
Op die waterige dinsdag in juni vlamt plotseling de hoop: "Ze binnen der!" Meer wordt er niet gezegd. Is ook niet nodig. Iedereen weet dat de geallieerden dus zijn geland. De fietssturen worden harder vastgepakt en de voeten krijgen nieuwe energie. "Ze binnen der!"
De Duitsers zijn op dolle dinsdag, tijdens hun overhaaste terugtocht naar Duitsland, massaal langs gekomen.
Twee van hen meldden zich midden in nacht bij het café van Derk en Juultje met de vraag welke kant ze uit moeten. Derk wist dat wel. “Immer, uh, immer grade uh aus”, zei hij veelbetekenend tegen de beide jongens. “En uh even loater uh heurde ik ze uh wel uh plonsken”, zei Derk later; hij had de jongens dwars door het ondergelopen lage land gestuurd. Een wonder dat ze niet terug kwamen om verhaal te halen.
Even verderop woont Geuko.
Een norse smid die nooit meer zegt dan nodig.
Zijn robuuste maar pezige gestalte dwingt respect af. Uit zijn volle zwarte haar spreekt kracht.
Tegen Anje, zijn vrouw, zei hij een paar jaar geleden: “Most even goud luustern. ’t Is oorlog. Ik zal voak n keer vot wezen. Het kin ook wezen dat wie veziede kriegen. Vroag mie naargens noar. Ik zal die niks vertellen. As ze die oeit te pakken kriegen din waist naargens van”.
Anje vraagt niets. Soms ziet ze kisten en kistjes in de voorkamer staan. Dat er wapens in zitten wil ze niet weten. Soms heeft ze een paar dagen gasten in huis. Ze slapen op zolder, eten daar hun warm eten en hun brood, zijn weinig spraakzaam en op een morgen zomaar weer verdwenen.
Anje vraagt niks.
En Geuko zwijgt als altijd.
Op een februarimorgen staan ze plotseling in de kamer.
De onderkant van hun driekwart laarzen steekt wit af tegen het zwarte leer.
Lang duurt dat niet. Al gauw smelt de sneeuw en zoeken modderige stroompjes zich een weg over de roodgeverfde vloerdelen om even later in de naden te verdwijnen.
“Mitkommen”, zegt een van hen. “Sofort mitkommen.”
“Dat kin nait”, zegt Anje. “’k Heb leutje jong net op potje zitten”, en ze wijst naar de kleinste die, aan een tafelpoot vastgebonden, op het witte potje zit.
De mannen hebben daar niets mee te maken. Befehl ist nou eenmaal Befehl.
Ze grijpen Anje vast en duwen haar de kamer uit.
De kinderen beginnen te huilen. “Goa noar grootmoe tou”, schreeuwt Anje naar de oudste terwijl ze in het voorbijgaan nog snel een jas van de kapstok grist.
Buiten staat de grauwgroene auto al te wachten. Anje krijgt een duw en kwakt onder de overkapping op de bank.
Naast en tegenover haar zitten soldaten, het geweer tussen de knieën en de blik op oneindig.
Bij de brug gaat de auto linksaf, richting stad. Dan ziet ze Geuko. Hij staat tussen twee soldaten voor het café van Derk en Juultje. Even zien ze elkaar. Een glimp van vertrouwen.
Het is goed dat je nooit iets verteld hebt, bedenkt ze nu.
Het geeft haar rust.
Het eerste wat ze ziet is bloed.
Dat is mijn bloed, weet ze. Ze voelt aan haar mond. De voorste tanden zijn weg. Haar onderkaak doet pijn. Voorzichtig probeert ze te gaan zitten. Ze kreunt. Haar rug lijkt gebroken.
Ze kijkt om zich heen. Dezelfde cel als waar ze nu al een paar dagen zit. Of zijn het weken? Ze weet het niet meer. Haar leven is een vage herinnering aan schuimbekkende Duitsers en doffe slagen, aan opvlammende pijn en vergetelheid.
Langzaam krijgt ze alles weer op een rij. Ze heeft geen antwoord op de vragen van de soldaten van de Sicherheitsdienst. En ook geen antwoord op de vragen van de Nederlandse medewerkers. Want Geuko zweeg.
Ook al slaan ze me dood, denkt ze, het zal ze niet helpen. Ik weet niets. Werkelijkwaar helemaal niets.
Plotseling staat ze op de Grote Markt. Van de een op het andere moment heeft de SD geen interesse meer in haar. Maak dat je wegkomt! Schnell!
Er zit voorjaar in de lucht. Tegenover het stadshuis staan een paar kramen.
“Wat dag is ’t vandoag”, lispelt ze tegen de eerste de beste vrouw die ze tegen komt.
De vrouw kijkt haar aan. “Scholtenshoes?”, vraagt ze, terwijl ze in de richting van het gebouw achter Anje kijkt.
Anje reageert niet. “Goa mor even met mie mit”, zegt de vrouw. “Kinst die even n beetje wassen, want zuchtst der nait oet.”
De kleren zijn haar iets te groot. Maar ze zijn schoon en ruiken fris. Haar oude plunje ligt op een hoopje in de hoek van de keuken.
Ze bekijkt zich in de spiegel tegenover het aanrecht. Een vreemde vrouw staart haar aan. Rond haar ogen is alles blauw en groen. Haar mond is dun en ingevallen. Magere schouders hangen moe naar beneden. De fleur is er volledig af, constateert ze nuchter.
Er wordt op de deur geklopt. “Kin k der al in kommen?”
De vrouw stapt de keuken binnen. “Dat liekt al beter”, zegt ze terwijl ze glimlacht.
Dan verstrakt haar gezicht. “Wat hebben ze t der ja vrezelk bie zet met die”, zegt ze vol afgrijzen. “Hai. Goa mor gauw mit, ik heb brij veur die op stel stoan.”
De pap lijkt meer op water dan op iets anders. Maar het is warm en met liefde bereid.
De vrouw praat haar intussen bij. De Canadezen zijn al in Gelderland. Het gaat de goede kant op! Anje begint te begrijpen waarom ze zo plotseling is vrijgelaten: de SD wordt zenuwachtig.
“Hai, wat was dat lekker”, slist ze, terwijl ze het bord van zich afschuift. “Mor nou wait ik nog nait wat veur dag het is.” Ze glimlacht door haar pijn heen. “t Was guster Poaskemoandag”, zegt de vrouw. “Vandoag is t drei april.”
Het fietsen valt haar moeilijk. De massieve banden zitten net niet helemaal strak om de velg. Maar goed, ze heeft een fiets!
“Kiek, neem dizze mor mit”, zei de vrouw. “Breng hom mor n keer weer as ter aan tou bist.” Wat een vertrouwen heeft die vrouw!
De smederij ligt er verlaten bij. Anje fietst door naar het huis van haar ouders.
Haar moeder kijkt haar onderzoekend aan. Er komt de laatste tijd veel vreemd volk aan de deur.
“Moeke”, zegt Anje.
“Och, mien kind, bist doe doar?” Dan huilen ze.
Langzaam komen de verhalen los. Anje is door een mijnenveld gereden, weet ze nu. God zij dank is haar niets overkomen.
Geuko is na de razzia nog een keer gezien. Bij de grens. Hij droeg een blauwe overall, net als de anderen. Sommigen hadden een witte band om de bovenarm. Die zouden worden doodgeschoten, zeiden ze. Maar volgens anderen gingen de armbanden verder Duitsland in en werden de overalls zonder band geëxecuteerd. Met elk verhaal groeit de onduidelijkheid.
Half april. De Canadezen zijn er! Plotseling komen allerlei mensen tevoorschijn. Sommigen hebben de laatste maanden of jaren ondergedoken gezeten.
Steeds meer nieuws wordt openbaar. Er was een verzetsgroep, waar de dokter en de mulder en Geuko een hoofdrol in hadden. Toen er die razzia was en Geuko werd opgepakt hadden de dokter en de mulder hun koffers al gepakt en stonden ze op scherp. Vrij snel werd het echter weer rustig in het dorp.
Mei. De capitulatie. In elk dorp is er feest. En feest. En feest. Weken lang. Tot het iedereen de keel uitkomt.
Nog meer verhalen. Over Kneels die vorig jaar bij een razzia is opgepakt maar die nu weer terug is en die in Duitsland in een fabriek heeft gewerkt. Over Freerk die in de Wieringermeer landarbeider is geweest, bij een razzia in de polder tegen de muur is gezet maar wonder boven wonder nu weer terug is. Over Geert en Klaas en over Harm, allemaal met hun eigen verhaal.
Dan begint het te knagen. Er zijn mannen die wegblijven.
Er zijn berichten van het rode kruis waarin wordt meegedeeld dat er iemand in een concentratiekamp is omgekomen.
En soms is er een oorverdovende stilte.
Anje hoopt en bidt. Maar met het verstrijken van de dagen neemt haar hoop af. Mei gaat voorbij. En de hoop vervliegt.
Begin juni staan er drie mannen aan de deur, twee vreemden en de dominee. De mannen hebben ondanks de warmte lange, leren jassen aan. Verdoofd luistert ze naar hun verhaal. Rode Kruis. Uiterste best gedaan. Spoor loopt dood. Tot Neuengamme documentatie. Daarna niet meer. Moeten er vanuit gaan dat hij in laatste weken van oorlog is omgekomen en in de chaos is verdwenen.
De mannen verdwijnen.
De dominee blijft en spreekt een gebed uit.
Het gaat aan Anje voorbij.
“Mooi das ter wast.” Anje knijpt haar nicht even in de bovenarm. “Wie mouten wieder en dit het mie geweldig holpen.”
Na het bezoek van de mannen in de leren jassen zijn er veel dingen besproken en in gang gezet. De smederij zal verkocht moeten worden en staat te koop. Anje en haar vier kinderen zullen onderdak krijgen bij de ouders van Geuko. Die hebben een grote tuin waarvan heel veel monden kunnen eten.
“Nogmoals bedankt en wees veurzichtig.” Ze kijkt haar nicht na tot de bocht.
Voorzichtig loopt Anje met een kop thee naar de achtertuin. Hier zat ze vroeger graag met Geuko. Op de bank aan het eind van het grindpad. Nu kan het nog even.
Langzaam drinkt ze haar thee. Het is goed zo. Ze heeft er zich mee verzoend, denkt ze. De afgelopen twee weken heeft ze gehuild en geschreeuwd en gepraat en gehuild. De kogel is nu door de kerk. Ze zal alleen verder moeten. Samen met haar kinderen.
Sterk zijn, houdt ze zich zelf voor. Wees sterk. Voor je kinderen.
Ze staat op. En zucht.
Plotseling zit ze rechtop in bed.
Heeft ze zich vergist of werd er inderdaad op het raam geklopt?
Het is nog donker. Het zal nog midden in de nacht zijn.
Dan wordt er weer op het raam geklopt.
Ze vermant zich: "Wel is doar?"
Dan klinkt een vertrouwde stem: “Zol k mor weer bie die in bèr kroepen, Anje?”
Geuko is terug.