Terug naar hoofdinhoud

Fruttegrus

Frans is onze nieuwe docent biologie en natuur- en scheikunde.
Geboren en getogen aan de westkant van Nederland maakt hij nu –door omstandigheden helaas, helaas genoodzaakt- de overstap naar het oosten des lands.
En voor iemand die in het intelligente westen werkelijk uit-né-mund op zijn plek was voelt de overstap naar het nuchtere deel van het land haast als een veroordeling tot ontwikkelingswerk in de rimboe.

Frans begrijpt niet veel van het plaatselijk dialect.
Dialect is in zijn visie synoniem met achterlijk.
In zijn ogen zijn de jongens uit de omringende dorpen allemaal kleine boertjes.
Eigenlijk zijn ze allemaal een beetje dom. Hun opgestoken worstvingertjes zijn hem een gruwel en de aangeboden kennis –uitnémend gedoceerd door hem, Frans!- druipt er vanaf als water van een vette eend.
Eigenlijk staat Frans hier beneden zijn kunnen les te geven. Eigenlijk wel.

Aan het eind van zijn eerste seizoen aan deze school maakt hij een gebaar. Per slot van rekening heeft hij de leerlingen voor dit jaar voldoende te kakken gezet.
Daar is hij trots op: iemand te kakken zetten.
Met een welgekozen sneer slaat hij iedereen terug in z’n nest.
En dankzij deze voortdurende kakkerij kennen de boertjes nu hun plek en hebben ze al lang door dat zij, vergeleken met Frans, nietsnutten zijn.
Boertjes, inderdaad.
Tevreden over zichzelf gaat Frans de laatste les van het schooljaar dan ook vullen met een kleine quiz. Daartoe duikt hij achter een van de zijborden en daar schrijft hij –in het geheim!- de naam van een dier.
En nou komt het: de leerlingen mogen vragen stellen die door hem, Frans, uitsluitend met ja of nee beantwoord mogen worden.
En op die manier moeten zij raden welk dier Frans achter op het bord heeft geschreven.
Is dat leuk of is dat niet leuk!

Marjan mag als eerste een vraag stellen.
“Is het een reptiel?”
“Neen”, zegt Frans goedkeurend. Die Marjan, dat is een gehaaide bliksem. Een meisje met intellect. Haar ouders komen ook ergens uit het westen en dat merk je aan alles.
“Is het een vogel?” Ina ziet er ook goed uit en ze stelt ook de goede vragen. Een pittige meid!
“Neen.” Frans zegt het beslist en hij glimlacht naar Ina.
“Wie volgt?”

Als de meeste personeelsleden al enige tijd aan de koffie zitten stuift Frans de personeelskamer binnen.
Nog voor hij zit roept hij met zijn doordringende stem: “Wat betekent fruttegrus.”
Er valt een stilte. Iedereen verzinkt in gepeins.
Fruttegrus? Nooit van gehoord.
Dan vraagt iemand aan Frans om uit te leggen waar de opmerking vandaan komt.
En Frans vertelt hoe hij zijn klas wilde plezieren met een quiz. En hoe hij met ja en nee leerlingen wilde leiden naar het goede antwoord.
Echter, in de klas zaten ook enige boertjes. En daar ging het fout. Want toen duidelijk werd dat het om een zoogdier ging, vroeg zo’n worstvingertje: “Fruttegrus?”

Dan neemt Wim het woord. De directeur werkt en woont hier al jaren en heeft enige kennis van de plaatselijke cultuur en het gangbare dialect.
“Vermoedelijk”, zegt hij rustig, “vermoedelijk bedoelde die jongen: ‘Vredde grös?’. Hij bedoelde daarmee of het zoogdier ook gras vreet. Dat was een hele pientere vraag van die jongen.”

Het blijft stil in de personeelskamer.
“Ah.” Frans krabt zich op het hoofd. “Juist.”

De bel gaat: de pauze is voorbij.
Frans is de eerste die weer opstaat om naar zijn lokaal te gaan.
De anderen blijven nog even zitten.
Wim zette Frans mooi te kakken, denken ze waarderend.
Traag staan ze op. Naar hun leerlingen. En ze glimlachen.