Terug naar hoofdinhoud

Franterg

Het is kwart over 10. Ik haal een kop koffie en begin aan mijn huiswerk. De laatste bus vertrekt pas tegen 11 uur en zo kan ik nog mooi een half uurtje doorwerken.

Het is rustig in de wachtkamer aan het eind van het Damsterdiep. Even verderop zit er nog 1 echtpaar verveeld voor zich uit te kijken.
Vanuit mijn ooghoek zie ik dat er aan de andere kant van het raam iemad stopt en omkeert.
Een ogenblik later staat Jan naast me, een kruideniet uit het dorp met een  karakteristieke stem.
"Bist aant leren?" Hij wacht het antwoord niet af, legt zijn jas op de stoel tegenover me en haalt een kop koffie.
Ik berg mijn huiswerk op. Jan wil kennelijk praten.
"Doe wolt leraor worren, heb ik heurd," begint Jan. "Der binnen minsen dei doar franterg over binnen." 
Ik kijk hem vragend aan. Wie kan er bezaaar tegen hebben dat ik een lerarenopleiding volg?
"Doe most die nait te veul verbeelden," zegt Jan. "Ain dei veur n dubbeltje geboren is mot nait mainen een kwatje te worren."
Wat Jan verder nog verelt ontgaat me. Het is 1969 en kennelijk zijn er in het dorp nog mensen die de rangen en standen in ere willen houden: Boeren, Burgers en, vooral, Arbeiers.