Terug naar hoofdinhoud

Andries

"Wat hesttoe ommaans had, Meta?"
De bruingrijze korthaar gaat plat op z'n buik liggen en jankt.
"Dat mog toch nait?"
De hond jankt en likt het laatste struif van zijn lippen. Hij is bij de buurman geweest, bij Braam. En die heeft kippen. En die kippen leggen eieren.

Een paar dagen geleden heeft Andries de hond gehaald van het asiel. Dat was een hele speurtocht. Elke lieve hond werd door Andries afgewezen. Pas aan het eind van de gang vond hij zijn hond.
"Hai wil nait luustern," waarschuwde de asielbeheerder. "En hai is vaals. Het al n moalofwat ain beten."
Die hond moest Andres hebben. Hij deed een touw om z'n hals en bond hem aan de bagagedrager van z'n fiets.
Thuisgekomen liep hij een paar keer met de hond langs zijn erfgrens rond de molen. "Hier magstoe kommen. Doar nait. Dat is weg. Magst nait op kommen. En hier woont Broam, doar hesttoe ook nikst te zuiken." Dan haalt hij het touw van de nek van de hond. 

En nou is Meta toch bij Braam geweest. En de eieren waren lekker. 
"Nou, vot mor. Nait weer doun." De hond komt naar Andries toe en schuurt zijn kop langs Andries' knie.
"Joa, tou mor. 't Is goud." Andries gaat de molen weer binnen en de hond gaat als gewoonlijk in de deuropening liggen.

Andries was sinds 1920 molenaar. Hij was beresterk. Af en toe werd er een weddenschap afgesloten: wie het snelst met drie zakken koren rond de molen kon lopen. Andries won.
Hij had verstand van dieren. Van honden en van paarden.
Aan het eind van de middag en 's morgens maalde hij koren en bonen voor de boeren uit de streek. Zo mogelijk voor de middag stapelde hij het meel op zijn platte wagen. Dan ging hij eerst warm eten met Anna, zijn vrouw. Na het eten spande hij zijn paard voor de wagen, bracht het meel terug bij de boeren en nam een nieuwe lading graag of bonen weer mee.

Op en dag bracht hij meel bij een boer en zag daar een paard in een omheining achter de boerderij. Een schitterend paard! Met de boer kwam hij aan de praat.
"Hai wil nait trekken," zei de boer mistroostig. "Wie hebben van alles pebaaierd mor niks helpt. Hai verrekt het om ook mor ain meter te trekken."
"En nou?" Andries' belangstelling is gewekt.
"Aander week gait e vot," zei de boer. "Noar peerdeslachter in stad. Krieg ik ter nog n paor cint veur weer."
Andries rekent. Slachtersprijs is hem wel zo'n beetje bekend. Hij schat het gewacht van het paard en doet een bod. De boer hapt toe. Hij is mooi zijn paard kwijt.
"Ik heb joe 't zegd," zegt de boer, "hai wil niks. Nait op en nait deel. Nait veuroet en nait achteroet. Hai volgt zien aigen kop."
"Ik heb joe heurd," zegt Andries. "Hest nog n tuug liggen? Din neem ik hom vot mit. Mörgen breng ik tuug weerom en betaol die."
De boer haalt een paardentuig uit de schuur. Als hij terugkomt staat Andries al met het paard te praten. Onder het praten door legt hij het tuig over het hoofd van het paard en bindt het achter de wagen. Dan vertrekt hij.
Het paard protesteert. Probeert te steigeren maar Andries heeft hem kort aangebonden. Uiteindelijk loopt het paard mee.

's Avonds na het eten zegt Andries tegen Anna: "Ik goa noar t peerd. Ik wait nait hou loat as t wordt, mor goa doe mor op bèr, as t tied is."
Uiteindelijk staat Andries de hele nacht te praten met het paard.
Dan is het morgen. Andries gaat malen en stapelt zijn platte wagen vol.
Na het middageten haalt hij het paard van stal. Die gaat gewillig met hem mee. Hij spant het paard voor de wagen.
"Nou, tou mor, jong."
Het paard trekt aan en ze gaan als eerste naar de boer waarvan hij gisteren het paard kocht.
Achter de boerderij stapt hij van de wagen, gooit de teugels haast achteloos over de rug van het paard en begint het meel af te laden.
De boer is ook aan komen lopen en staat knarsetandend in de deuropening.
Andries haalt het tuig van de wagen, geeft het terug aan de boer en betaalt hem het afgesproken bedrag. Noch hij, noch de boer maken een opmerking over de verkoop.
"Nou, tou mor, jong". 
En Andries verlaat het erf. Op naar het volgende adres.