Terug naar hoofdinhoud

Oranjegekte

“Mor hou is t nou din mit hom.”
Annie Geertsema denkt even na. Hoe is het nu met haar man, met Geert? Goeie vraag. Ja, hoe gaat het eigenlijk met Geert?
Ze zucht.

 “Wel wat beter,” zegt ze dan bedachtzaam. “Hai slept wat beter en zugt ook minder.”
“Haar e din ook last mit t zain?”
“Nee, mor hai zugt apmoal dingen dei der nait binnen. En dat komt van medicienen, zee dokter. Mor nou het e medicienen staon loaten en doar word t nait minder van, dunkt mie.”

De beide vrouwen gaan uit elkaar om hun tas met zaterdagse boodschappen naar huis te brengen.
Diep in gedachten schudt Annie haar hoofd.
Het is wat als je man zwaar overspannen is en om de haverklap hallucineert.

Op dat moment ligt haar zoon, Jan Geertsema, met zijn vriend Albert achter de heg.
Aan de andere kant van de heg staat een zeef, aan één kant schuin omhoog gehouden door een stokje.
Onder de zeef liggen korrels koren en wat kleine stukjes brood. Al een hele tijd hipt een koppeltje mussen er argwanend om heen.
Dan duikt er een onder de zeef, pikt een stukje brood en vliegt snel weg.
Dat is kennelijk het teken dat het kan: het volgende moment hippen er vijf, zes mussen rond tussen de broodkruimels en het koren.
Jan rukt aan het touwtje. Het stokje valt en de zeef klapt tegen de grond.
Vier mussen kunnen niet zo snel wegkomen en fladderen zenuwachtig onder het gaas heen en weer.

“Wat doun wie der mit.” Jan krabt zich in het haar. Vier mussen hebben ze. Doodmaken is geen optie. Laten vliegen ook niet.
“Bie knarries in t hok,” oppert Albert.
Jan schudt zijn hoofd. Niet bij de kanaries in. In geen geval. Dan wordt Pa weer kwaad.
Dan valt zijn oog op een stapeltje dik papier. In verschillende kleuren. Overgebleven van de kronen en mutsen die de vorige week werden gemaakt voor de optocht op Koninginnedag. Hij trekt er een vel oranje papier tussen uit en draait het haast gedachteloos door zijn handen.
“Puntmutskes,” zegt Albert plotseling. “Puntmutskes! Wie zetten mussen n puntmuts op kop en laoten ze din weer vlaigen!”
Jan ziet apen en beren op de weg.
En als de mutsen dan nat worden?
En gaan ze niet dood met zo’n muts op?
En wat als ze jongen hebben en als die zich doodschrikken van hun ouder met puntmuts?
Albert is het meest praktisch en verzint ter plekke voor elk probleem een oplossing.
Zorgvuldig vouwen ze even later kleine hoedjes van het oranje papier.
Dan lakken ze de hoedjes met blank lak. Zo kunnen ze niet nat en slap worden als het gaat regenen.
Als de hoedjes liggen te drogen halen ze een beetje bisonkit bij Alberts broer.
Volgens Albert is dit een uitstekende lijm en hebben de mussen er geen last van. Want, zo is de redenering, de veertjes groeien vanzelf uit de kop en dan valt ook het puntmutsje er wel een keer weer af.
Voorzichtig vullen ze de hoedjes met een flinke klodder lijm. Een voor een krijgen de mussen een puntmutsje op en worden ze weer teruggezet onder de zeef.
Want het is van belang dat de lijm voldoende droogt.

Tegen de avond laten Jan en Albert de vier mussen weer vliegen.
Ze zijn tevreden.
Ze hebben een uitstekend werk verricht.

De volgende dag is het stralend weer.
De familie Geertsema zit na kerktijd achter het huis. Geert en Annie aan de koffie, de beide kinderen, Jan en Sientje, aan de ranja.
Annie is blij. Geert heeft vannacht voor het eerst sinds lange tijd een hele nacht doorgeslapen.
Eindelijk rust, denkt ze dankbaar. Eindelijk het begin van een herstel.
Tevreden ziet ze hoe Geert een sigaar uit het cellofaan haalt en zich ontspant.
Eindelijk.
Eindelijk rust in het gezin.
Ze schenkt nog eens in.

Ineens zit Geert rechtop in zijn stoel.
“Wat is dat!” Gespannen wijst hij naar de heg naast het huis. “Zai ik dat goud? Zit doar n mus met n pet op?”
Annie grijpt zich naar het hart.
Te vroeg gejuicht.
Och girrik. Geert krigt weer n terugval. Zugt weer dingen dei der nait binnen.
“Geert, mien jong, dat verbeelst die,” zegt ze met een traan in haar stem. “Der binnen ja gain mussen met petten op.”
“Dat zel k die jandomke vertellen,” veert Geert op uit zijn stoel.
“Kiek din!” En hij wijst driftig naar de heg.
Dan ziet Annie drie musjes. Ze hippen bedrijvig door de halfopen heg. En alle drie hebben ze een prachtig klein oranje puntmutsje op.
Ze kijkt naar Jan. “Hest doe dat ommaans had?”
Dan lacht Jan. Onbedaarlijk. En Annie lacht mee. Blij dat Geert kennelijk geen terugval heeft gehad.

"Hest ze nog weer zain?" Albert zit naast Jan op het muurtje naast de school.
Jan denkt even na. Wie zou hij gezien moeten hebben?
"Joa man,"zegt hij dan enthousiast. "Gustermörn oet kerk."
Hij glimlacht.
"En Moeke dochde dat Pa oranjegekte haar."