Kevin
“Gaat u weg?” Zijn waterige ogen staan groot in het puisterige gezicht.
Ik knik. “Over een paar maand hoop ik 65 te worden. En dan vind ik dit een goed moment om te vertrekken.”
Hij zwijgt. Alleen hij en ik lijken op deze wereld te zijn.
“Het spijt me, Kevin.” Het klinkt hol en nietszeggend, vind ik.
“Verdomme,” zegt hij.
Hij schudt zijn hoofd en loopt bij me vandaan, de lege gang in.
Kevin.
Een paar maanden geleden moest en zou hij nog van school.
Althans, dat vond Vrouwkje, onze docente biologie.
Nou maakte Vrouwkje er met haar krijsende stem ook wel een erg groot punt van. Haar didactische- en pedagogische kwaliteiten waren dan misschien halverwege de jaren 70 langzaam maar zeker uitgedoofd, haar stem had daar niet onder geleden.
“Hij zei bitch,” krijste ze in de personeelskamer.
En dat kan een leerling natuurlijk niet tegen jou, docente, zeggen.
Dat hóórt niet.
Zelfs niet als je, zoals Vrouwkje, elk uur je leerlingen tot het uiterste tergt omdat je te lam en te beroerd bent om je lessen goed voor te bereiden en het vertikt om je te verdiepen in je leerlingen, in de kinderen die je zijn toevertrouwd.
De versie van Kevin kwam desgevraagd in de buurt, maar verschilde enigszins van toon en betekenis.
“Ik zei: vis,” zei hij glashard en zonder een spier te vertrekken. Ik had moeite m’n gezicht in de plooi te houden.
Het eind van het verhaal was dat Kevin weer werd toegelaten in de klas en dat het contact tussen zijn mentor en de persoonlijke begeleider van Kevin werd geïntensiveerd.
Want Kevin had een persoonlijke begeleider. Dat had hij in de loop van de jaren verdiend.
Zijn geboorte was eigenlijk al niet zo gelukkig.
Zijn moeder was modern in haar opvattingen: ook zonder trouwen kun je kinderen krijgen.
En ze had een geweldig leven. Ze leerde veel lieve, begrijpende en attente mannen kennen. En op zekere dag was ze zwanger. “Bewust zwanger’” zei ze zelf. Want ze was best in staat een kind op de wereld te zetten.
Toen Kevin bijna 2 jaar was leerde zijn moeder Alex kennen. Alex was anders dan de andere mannen. Hij was heel attent, hield heel veel van Kevin, zat zonder werk en kon dus mooi voor Kevin zorgen als mams aan het werk was.
En zo kon het gebeuren dat Alex zich de volgende jaren genadeloos kon uitleven op Kevin. Het geschreeuw en het gekrijs van het kereltje werd niet gehoord, niet gezien, niet opgemerkt.
Kevin stond er alleen voor.
Moeders ruilde Alex om voor Douwe, een zwijgzaam en ruig type. Hij was dan misschien wat minder attent dan Alex, maar ze voelde zich bij hem veel meer vrouw.
Jammer dat hij na een paar whisky’s al bij het minste of geringste Kevin in elkaar sloeg tot hij niet meer huilde.
Die twee lagen elkaar niet zo, constateerde moeder.
Ze sprak erover met Douwe, maar die bromde wat over pubers en asociaal gedrag en dat het bij de opvoeding en het opgroeien hoorde.
Daarna glimlachte hij, trok haar tegen zich aan en zorgde ervoor dat zij zich weer echt vrouw voelde.
Dat Kevin daarvan verschillende keren getuige was vonden ze niet erg: ze deden toch niks verkeerd?
In de vakantie voordat Kevin naar het voortgezet onderwijs ging verongelukte Douwe. Hij reed na een borrelavond nogal gedreven naar huis, raakte rechts van de weg af en kwam aan de overkant tegen een boom tot stilstand. Kennelijk had hij snel gereden: het motorblok lag meer dan 15 meter verderop.
Moeder huilde tranen met tuiten. Kevin klemde zijn lippen op elkaar, liet geen traan en stond bij de begrafenis vooraan: hij wilde er zeker van zijn dat Douwe in de kist lag en werd begraven.
In de brugklas kwam Kevin in de klas waarvan Desiree mentor was. En dat werd een klein begin van zijn behoud. Desiree was streng en opmerkzaam, schakelde de schoolarts in, negeerde de adviezen die moeder ongevraagd en lacherig gaf en langzaam maar zeker werd duidelijk welke pijnen het leven van Kevin tot een hel hadden gemaakt.
Tegenwoordig krijgt Kevin twee keer per week therapie. Hij slaat dan op een trom, lang en hard. En omdat hij zichzelf dan vaak helemaal vast slaat en alles om zich heen vergeet, staat er tegenwoordig een bekken naast. Als Kevin weer merkt dat hij tijdens het trommelen te boos wordt en alles om hem heen donker, dan moet hij op het bekken slaan. Soms haalt het scherpe en schelle getingel hem dan uit zijn concentratie en is hij weer even aanspreekbaar.
Ik kijk hem na. Hij balt zijn vuisten en kromt zijn rug.
“Verdomme!” Het galmt door de lege gang.
Ik ervaar zijn vloek als een blijk van waardering.